Voor een Europees onderzoek heb
ik in het afgelopen jaar op een rij gezet wat we weten over de integratie van de
ëtweede generatieí. Het gaat om een belangrijk deel van de jonge generatie Nederlanders,
zeker in de steden waar een kwart tot de helft van de jonge generatie meer of minder
ëkleurí op de huid heeft of een ëvreemdeí naam. De jonge generatie is een generatie
in de sociologische zin van het woord 3 het is een belangrijke, brede groep van leeftijdsgenoten
die structuur en toekomst geeft aan de samenleving. De bijdrage van de ëtweede generatieí
is daarvoor van wezenlijk belang, maar hij komt onvoldoende tot zijn recht, mede
door het immigratie- en integratiebeleid van de regering. Het kan beter, ook op korte
termijn. Daarover gaat dit artikel.
Is de tweede generatie geïntegreerd
en is ze beter geïntegreerd dan de eerste? Dit was een van de eerste Europese
onderzoeksvragen en het antwoord was positief, althans voor ten minste 70% van alle
jongeren die tot de tweede generatie behoren. Dit was de eindconclusie van de Commissie
Blok (Parlementaire Onderzoekscommissie Integratie en Integratiebeleid die in 2004
gerapporteerd heeft), namelijk dat voor ten minste zeventig procent van de nieuwe
Nederlanders de integratie geslaagd is.
De reactie van de regering van
mei 2004 op de Commissie Blok maakte duidelijk wat de politieke strekking is van
integratiestatistieken. In haar reactie verwijst de regering naar de integratiestatistieken
en de vele punten waarop ook de integratie van de ëtweede generatie tekort zou schieten.
Statistieken ëbewezení, dat de ëtweede generatieí het relatief slecht doet, bijvoorbeeld
op school, op de arbeidsmarkt en in de criminaliteit. De regering bevestigde dit
beeld en de conclusie lag voor de hand dat de ëtweede generatieí beter zijn best
moest doen en zich moest aanpassen. Een wezenlijke bijdrage aan de structuur en de
toekomst van de samenleving mochten we daarom niet op korte termijn verwachten, uitzonderingen
daargelaten. De regering en de statistieken veronachtzamen echter de vele institutionele
factoren die ook en in belangrijke mate de oorzaak zijn van de achterblijvende gemiddeldes,
bewust of onbewust. De regering had wellicht weinig interesse voor institutionele
factoren, omdat ze dan wat aan de instituties zou moeten doen. Voor de regering en
de regeringscoalitie lag de prioriteit bij hogere en toetsbare integratieprestaties
van nieuwkomers, oudkomers en de tweede generatie, in combinatie met gesloten grenzen
en de uitzetting van illegalen. Wat de statistieken betreft: deze kunnen de institutionele
factoren niet goed meten, omdat hun onderzoeksinstrumentarium daarvoor ontoereikend
is. Ze tellen individuele scores, maar doen geen onderzoek naar het functioneren
van scholen, arbeidsmarkt, en het justitiële apparaat.
Institutionele factoren zijn
onder andere de zwarte scholen in zwakke wijken, de discriminatie op de arbeidsmarkt
en de markt voor stageplaatsen, en de moeizame interactie tussen risicojongeren,
(politie)functionarissen en het justitiële apparaat. Andere institutionele factoren
betreffen de te lage interculturele competenties bij algemene instellingen en hun
professionals, alsook moeizame of zelfs onmogelijke samenwerking tussen instanties
en instellingen die allemaal te maken hebben met bepaalde risicojongeren. Aandacht
voor institutionele factoren als deze is al een stap vooruit in vergelijking de eigenlijke
prioriteit van de regering en regeringscoalitie, namelijk de integratieprestaties
van nieuwkomers, oudkomers en de tweede generatie, in combinatie met gesloten grenzen
en de uitzetting van illegalen. De regering heeft in het afgelopen jaar, mede onder
druk van de Hans de Boer en zijn taskforce jeugdwerkeloosheid, aandacht gekregen
voor wat schoorvoetend de mogelijke discriminatie op de arbeidsmarkt en de markt
voor stageplaatsen wordt genoemd. Zwarte scholen staan al wat langer in de picture,
maar vergaande maatregelen om te zorgen voor gemengde scholen zijn uitgebleven, want
ze stuiten op het stille verzet van witte ouders die witte scholen voor hun kinderen
zoeken buiten de steden en hun probleemwijken. Daarbij is volgens minister Van der
Hoeven artikel 23 van de grondwet in het geding en dat is het laatste wat zij en
haar partij zeggen te willen. Staatssecretaris Ros heeft wel aandacht voor falende
zorg en moeizame ketensamenwerking, mede onder druk van regeringscommissaris Steven
van Eijck en bepaalde gemeenten. Maar ze kan of kon niet veel doen op deze punten.
Gerichte aandacht voor institutionele
factoren is echter zeker niet genoeg. Het belangrijkste punt is de verbetering van
de kansen en perspectieven van jongeren van de tweede generatie. Ze zijn een belangrijk
en constituerend onderdeel van de nieuwe generatie die in de komende decennia structuur
en vorm aan onze samenleving gaat geven, zeker in de steden. Als je met betrokkenen
en deskundigen praat kom je steeds weer op dat punt terug.
Wat de kansen en perspectieven
zijn is niet duidelijk. De trend die uit de statistieken spreekt is niet echt bemoedigend,
omdat de gemiddelde verbeteringen voor ëniet-westerse allochtone jongerení in de
afgelopen decennia achter bleven bij die van ëautochtone jongerení, op de Surinaamse
vrouwen na die ongeveer gelijk vooruit zijn gegaan. Als je deze trends op de toekomst
projecteert wordt het verschil tussen de ëallochtone groepení en de ëautochtone groepení
alleen maar groter. De veel voorkomende reactie van de spagaat. Velen in de tweede
generatie voelen zich tegelijkertijd verbonden met en tot op zekere hoogte loyaal
aan hun ouders, hun geloof en hun cultuur, én ze willen deel uitmaken van
de nieuwe generatie die het land van hun keuze gaat structureren en vormgeven. Dit
is heel lastig en vereist een hoge mate van balanceerkunst, met of zonder externe
steun.
Op dit punt is een trendbreuk
wenselijk. De trendbreuk is om een aantal redenen waarschijnlijk.
Op de eerste plaats bieden de
immigrantentrends van de afgelopen twintig à dertig jaar onvoldoende positieve
perspectieven voor de toekomst. De jonge generatie wil positieve perspectieven en
daarom zal ze die zoeken en vinden, desnoods tegen de bestaande trends in. Op de
tweede plaats komt er ruimte voor een trendbreuk door de veroudering en ontgroening
van de ëwitteí samenleving. Op de derde plaats zijn de mensen die tot de jonge generatie
behoren met elkaar opgegroeid, waarbij een zekere gewenning en erkenning heeft plaatsgehad
met betrekking tot de onderlinge verschillen qua achtergrond, cultuur, geloof, omgangsvormen,
kleur en persoonsnamen. De jonge generatie die structuur en vorm gaat geven aan de
samenleving deelt reeds met elkaar de wetten, geschiedenis en toekomst van Nederland
en Europa. De jongeren van de tweede generatie leggen daarbij wel vaak bijzondere
accenten, bijvoorbeeld inzake het slavernijverleden, geloof of onderlinge familiebanden.
De nieuwe generatie kan hierbij voortbouwen op wat in de steden zich aan urban
culture
aan het ontwikkelen is.
Op de vierde plaats is een trendbreuk
te verwachten door en na de verkiezingen van 22 november a.s. De huidige coalitie
zal er alles aan doen om de politieke trendbreuk te voorkomen, hopend op een kleine
meerderheid voor VVD en CDA. Ik denk dat die kleine meerderheid een illusie is en
dat men zich binnen CDA en de VVD al opmaakt om de bakens te verzetten. Er zullen
door die verkiezingen in ieder geval een aantal prominente vertegenwoordigers van
de nieuwe generatie in de Kamer komen op belangrijke politieke posities. Tot op zekere
hoogte zullen ze hun stempel drukken op de nieuwe regeringscoalitie, al was het maar
omdat bijvoorbeeld Wouter Bos, Femke Halsema en Mark Rutte zich opwerpen als de gezichtbepalende
nieuwe generatie in de politiek. Een nieuwe links-liberale coalitie zal zeker de
bakens verzetten op het punt van de immigratiepolitiek, mede omdat het bedrijfsleven
in bijvoorbeeld de sectoren ICT, verzorging en tuinbouw arbeidskrachten van elders
nodig heeft en wil toelaten. Een nieuwe coalitie van PvdA en CDA met SP of Groen
Links zal naar een nieuw multicultureel arrangement zoeken met het oog op de vergroting
van de sociale cohesie in de samenleving. Een nieuwe Fortuyn, die niet in zicht lijkt,
zou door de vorming van een duidelijk rechts blok in en naast de VVD van Rutte, de
trendbreuk op kunnen houden en de etnische polarisatie in de samenleving nog enkele
jaren kunnen laten voortduren. Rita Verdonk heeft de appeal hiertoe, maar ze zit
op dit moment stevig ingebed in de VVD van Rutte. Anderen hebben die appeal niet,
omdat ze boze mannen zijn à la Nawijn en Pastors. Ik neem aan dat ook in het
geval van een nieuwe Fortuyn de nieuwe generatie met enkele jaren vertraging toch
voor de verwachte en noodzakelijke trendbreuk gaat zorgen.
Ik voel me niet geroepen om de
contouren uit te zetten van de samenleving waaraan de nieuwe generatie structuur
en vorm moet gaan geven. Mij gaat het nu om de waarschijnlijke en wenselijke trendbreuk
op korte termijn. Een andere regering kan een ander beleid gaan voeren. Ik vertrouw
vooral op de nieuwe, jonge en veelkleurige generatie die de nieuwe multiculturele
samenleving van de toekomst gaat vormgeven. Deze generatie is wel op korte termijn
gediend met bepaalde verbeteringen. Deze betreffen de interculturele competenties
van de algemene instellingen, het selectief immigratiebeleid, een redelijke uitvoering
van de nieuwe inburgeringswet en de gerichte en effectieve aanpak van risicojongeren.
Wat in ieder geval politieke
aandacht vraagt zijn de noodzakelijke interculturele competenties in alle instellingen
en beroepen in den lande. Ik vind dit eigenlijk een open deur in een land waar vrijwel
alle patijen en gemeenten al meer dan twintig jaar tegen categorale zorg- en welzijninstellingen
zijn, maar onderzoek en ervaring leren dat er nog steeds ëheel veelí te verbeteren
valt. Collegaís op brugfuncties ontbreken en noch de leiding noch de medewerkers
van heel veel instellingen zijn in staat hun producten en diensten af te stemmen
op de behoeften en de maat van hun cliënten uit de vreemde. De instellingen
en hun professionals hebben een gesloten communicatiecultuur opgebouwd waarin mensen
van buiten eigenlijk op voorhand kansloos zijn. Gelukkig zijn er de jongeren van
de tweede generatie die hun ouders en anderen willen en kunnen helpen bij hun dwaaltocht
door de instituties, en die ook redelijk goed zijn in de institutionele geheimtaal.
Het is echter de wereld op zijn kop. De instituties moeten er voor zorgen dat hun
cliënten niet hoeven te verdwalen. Zij zullen moeten zorgen voor vergaande verbetering
van hun interculturele communicatiepraktijk. Een nuttige bijdrage in die richting
leveren jongeren met een etnische achtergrond op professionele en leidinggevende
posities en de regelmatige consultatie van de migrantengemeenschappen, zoals we in
verschillende Antillianenprojecten hebben mogen waarnemen.
VVD en CDA hebben de immigratie
van bijvoorbeeld gezinsherenigers en asielzoekers zo veel mogelijk willen beperken
door een ërestrictief immigratiebeleidí te voeren. Op deze wijze wilden ze, net als
de LPF, de ëstormvloedí keren, die over ons volle land dreigde te spoelen. Bij de
vorming van de kabinetten Balkenende gaf de vreemdelingenwet van Job Cohen uit 2001
de mogelijkheid om het restrictieve beleid ook daadwerkelijk uit te voeren. De eisen
voor gezinsherenigers gingen flink omhoog, een taaltest als visumvoorwaarde werd
opgetuigd en bij rechtzaken over vreemdelingenzaken werd steeds in beroep de meest
restrictieve uitleg van de wet Cohen aangehouden.
Dit restrictieve beleid is geen
adequaat immigratiebeleid, niet in 2002 en nu evenmin. Toen was het een politieke
reactie op de opwinding die Fortuyn onder zijn kiezers had losgemaakt. Nu is het
daarvan de wat valse echo. Maar dat niet alleen: we hebben gezien dat arbeidsmarkt
en verzorgingsstaat eigenlijk niet zonder de komst van wizzkids, handen aan het bed
en plukkers in de kassen kunnen, om een paar sectoren te noemen. En dus gaan de grenzen
weer een beetje open. Hierom moeten de Nederlandse grenzen weer open tot op zekere
hoogte, maar nadenken blijft wel geboden. ëSelectief immigratiebeleidí, zoals dat
door vrijwel alle ëechteí immigratielanden zoals de VS, Canada, Australië en
Nieuw-Zeeland is gevoerd en wordt gevoerd, lijkt een beter perspectief te bieden
dan ërestrictief immigratiebeleidí. Kernpunt in een ëselectief immigratiebeleidí
is de zogenaamde ëgreen cardí oftewel het document dat de komst van gewenste immigranten
regelt. Daarnaast mag ik wensen, dat een nieuwe regering de menselijke maat herinvoert
in het asielrecht en terugkeerbevordering, zoals nadrukkelijk bepleit door de oppositie
in het onverkwikkelijke debat over het staatsburgerschap van Ayaan Hirsi Ali. Ook
schoon schip is gewenst, zoals dat eigenlijk vier jaar geleden al gewenst was. Dit
kan door een breed generaal pardon te geven aan (vrijwel) alle oude en discutabele
ëgevallení. Wat uitwassen of mogelijke uitwassen van huwelijksmigratie betreft: er
zijn andere maatregelen of acties mogelijk en wenselijk dan hogere tolmuren en geteste
taalkennis. Die liggen meer in de sfeer van overtuigen en andere ësofteí technieken,
waarbij de jongeren van de tweede generatie worden aangesproken als een bondgenoot
voor de toekomst van de samenleving en niet als een stoorzender die het land opscheept
met ongewenste vreemdelingen. Deze ëbondgenotení zullen eerder ëvallení op een moderne,
goedopgeleide partner dan dat ze op vakantie bij grootouders toevallig verliefd blijken
te zijn geworden op een verre neef of nicht met de instemming van de families.
De Tweede Kamer heeft met overgrote
meerderheid uiteindelijk ingestemd met de inburgeringswet van minister Rita Verdonk,
onder het voorbehoud dat wet en uitvoering niet indruisen tegen de grondwet en de
Europese burgerschapsregels. Deze wet kan op verschillende manieren uitgevoerd worden.
Hij kan als kader gebruikt worden voor verscherpte inburgeringscontrole over eenieder
op wie de wet van toepassing is of zou kunnen zijn. Verdonk heeft de vreemdelingenwet
Cohen op deze wijze uitgevoerd, omdat zij en een kleine kamermeerderheid dat zo wilde.
De oorspronkelijke intentie van haar inburgeringswet was heel duidelijk de verscherpte
inburgeringscontrole over alle immigranten van de eerste generatie. Het zal van wijs
en redelijk beleid getuigen, wanneer de overheid de nieuwe wet wijs en redelijk gaat
toepassen. De wijze en redelijke toepassing behelst dat de overheid de inspanningen
primair richt op inburgeringsondersteuning, aangepast aan de maat, behoeften
en mogelijkheden van immigranten van de eerste generatie, met elementen als taalonderwijs
en gerichte cursussen, duale trajecten, coaching en andere vormen van persoonlijke
begeleiding met bijvoorbeeld een vrijwillige buddy, en alle andere good practices
die in de afgelopen tien à vijftien jaar beproefd zijn in de inburgeringspraktijk.
Het overgrote deel van de betreffende doelgroepen zal blij zijn met een dergelijke
inburgeringondersteuning en dus eraan meewerken. Bijzondere verwachtingen en eisen
mogen en moeten gelden ten opzichte van bepaalde immigrantengroepen, zoals volwassen
baanlozen en werkzoekenden, zij-instromers in het voortgezet en tertiair onderwijs,
of ouders met hun opvoedingstaken. Zij hebben hun inburgering hard nodig om zelfstandig
te kunnen functioneren in de samenleving en immigrantenkinderen zijn direct gebaat
bij een redelijke mate van inburgering van hun ouders. De kansen en perspectieven
van de kinderen worden erdoor verbeterd. Wat een nieuwe regering kan of moet doen
is het pakket interessante voorstellen van Ella Vogelaar uit de la halen, waarin
de huidige regeringscoalitie ze gestopt heeft. Het zijn haar voorstellen als leider
van de taskforce inburgering van de vorige regering. Ze zijn, met wat aanpassingen
hier of daar, heel goed en toepasselijk. Ze zijn gericht primair op verbeterde inburgeringondersteuning
en minder op inburgeringscontrole. Ze kunnen uitgevoerd worden binnen het kader van
de nieuwe inburgeringswet.
Er zijn veel, te veel risicojongeren
in onze samenleving. Ze zijn een risico voor zichzelf en vaak ook een risico voor
anderen. Het zijn de drop-outs, die geen behoorlijke startpositie in de samenleving
hebben of krijgen. Er zijn de overmatige gebruikers van roesmiddelen en het zijn
diegenen die menen zichzelf met ongepaste middelen en ten koste van anderen te moeten
verrijken, al dan niet door geweld te gebruiken of ermee te dreigen. Er zijn enkelingen
en kleine groepen die met terreur dreigen of zelfs terreur uitoefenen. Onder deze
risicojongeren zijn jongeren uit migrantengroepen volgens de statistieken en de publieke
opinie oververtegenwoordigd.
Risicojongeren moet je opzoeken
of vinden en binden aan een gerichte en sluitende aanpak. Mijn eenvoudige slogan
is en was: vinden, binden en sluitend aanpakken, zoals ik vorig jaar in een onderzoeksrapport
over Antillianenbeleid bepleit heb. Vinden, binden en sluitend aanpakken geldt ook
of juist voor jongeren uit migrantengroepen. Het moet op migrantenjongeren gerichte
accenten omvatten en, wanneer nodig, speciale projecten en programmaís voor migrantenjongeren.
Dit lijkt de volgende open deur te zijn. Niets is echter minder waar. De effectieve
en sluitende aanpak van risicojongeren en het leggen van de noodzakelijke accenten
is tot nu toe niet of onvoldoende gelukt, ondanks dat de problemen wel degelijk onderkend
zijn. Heel veel interessante initiatieven zijn blijven steken in de schotten tussen
overheden en ëketenpartnersí, terwijl er al heel lang geroepen wordt om ontschotting
en ketensamenwerking. Maar we hebben een nieuwe wet op de jeugdzorg, die de schotten
eerder verhoogd heeft dan dat ze effectieve en cliëntgerichte samenwerking heeft
bevorderd. Dit geldt zowel voor de schotten tussen de justitiële instanties
die verantwoordelijk zijn voor de justitiële (lees: afdwingbare) jeugdzorg aan
de ene kant en alle andere instanties die op vrijwillige basis met jeugdigen aan
de slag moeten, aan de andere. Dit geldt ook voor de leeftijdsgrenzen, want de jeugdzorg
is er voor jongeren onder de 18, terwijl deze zorg niet mag worden toegepast op jongeren
van boven de 18 3 ook niet als dat heel duidelijk wel nodig en wenselijk is. En dan
hebben we het nog niet over de zorgverleningbureaucratie waarop we in Nederland het
patent lijken te hebben sinds we zorg en diensten zijn gaan verzelfstandigen en privatiseren.
Uit de praktijk van allerlei sectoren, zoals onderwijs, toeleiding naar de arbeidsmarkt,
residentiële zorg, jeugdstrafrecht etc. weten we dat ë18 jaarí een erg willekeurig
punt is in de overgang van jong naar volwassen. We moeten veel meer oog krijgen voor
de langere overgangsperiode en de aanpak daaraan aanpassen, zoals Ahmed Aboutaleb
als wethouder in Amsterdam heeft gedaan voor uitkeringen, scholing en werk, als ook
voor de opvang van dak- en thuisloze jongeren.
Voor de aanpak van risicojongeren
in het algemeen en die uit migrantengroepen in het bijzonder is het werken met persoonlijke
coaches en mentoren een zeer veelbelovende aanpak. De risicojongeren krijgen een
soort van één-op-één begeleiding waar dat nodig is. Het
is een methodiek die ontwikkeld en beproefd is in bepaalde projecten voor risicojongeren
zoals dat van de ëgrote broersí (Papiamentu: ruman grandi, wat de naam was van het
project) die vanuit de GGD Rotterdam Rijnmond hulp en begeleiding boden aan allerlei
Antilliaanse risicojongeren. Een ander ëexperimentí betrof de plaatselijke huisvesting-
en begeleidingprojecten voor de Antilliaanse risicojongeren in verschillende gemeenten.
Het is tevens een methodiek die ontwikkeld wordt en meer en meer toepassing vindt
in de gezinszorg. Het is een methodiek die zich ook leent voor bijvoorbeeld de jongerenreclassering
en de nazorg na een detentieperiode, of, om een heel andere sector te noemen, die
van de toeleiding naar scholing en werk.
Om de methodiek te optimaliseren
moeten zeker nog de nodige bureaucratische en budgettaire hindernissen opgeruimd
worden. Ook betekent het een veranderingsproces voor de verleners van professionele
hulp en zorg aan jongeren, die zich nog meer dan tot nu toe zullen moeten richten
op hun jonge cliënten, hoe lastig die ook zijn. Wat ik een voordeel vind is
dat voor het welslagen van deze methodiek de inschakeling op grote schaal nodig zal
zijn van beroepskrachten en vrijwilligers die zelf een migrantenachtergrond hebben.
Voor de meeste risicojongeren uit migrantengroepen geldt immers dat persoonlijke
coaching gebaat is met een min of meer gedeelde achtergrond. Ook de inbreng vanuit
de migrantengemeenschappen zal meer en beter tot zijn recht moeten komen. Dit houdt
in dat instanties zoals gemeenten en instellingen regelmatig vertegenwoordigers van
migrantenorganisaties moet consulteren en dat deelname van jonge en deskundige mensen
met een migrantenachtergrond in besturen, adviesorganen, cliëntenraden, politieke
vertegenwoordigingen, etc. nodig en wenselijk is.